Overweging

Eerlijk gezegd niet. Mijn agenda maant mij van afspraak naar afspraak. Ik lees rapporten die ‘beleidskader’ heten. Maar smachten, verlangen naar God? Nou nee! Ik lees wat verder en ontdek dat dit smachten van de zanger vooral wordt veroorzaakt door de herhaalde vraag van zijn vijanden waar toch zijn God is. Dat helpt mij ook niet verder. Hier en daar herken ik een vage vorm van gekwetstheid als er bij gelegenheden weer eens wat onnozelheden over God en geloof worden gedebiteerd en hoe erg dat allemaal is, religie. Maar het raakt me niet echt.

Tot ik stuit op die ene zin: ‘Ik gedenk U uit het land van de Jordaan,- van Hermons toppen, uit het bergland van Mitsaar.’ Sommige geleerden zeggen dat deze psalm in de ballingschap is geschreven, andere ontkennen dat weer, zoals dat onder geleerden hoort. Wat ik er vooral in hoor, is heimwee. Een verlangen naar die tijd toen God nog onmiddellijk nabij was. Zo aanwezig als een landschap dat je zeer vertrouwd is. Daar woon je niet meer, ballingschap of niet. Dat herken ik en dat kan je zomaar overvallen. Was mijn leven nog maar zo eenvoudig en overzichtelijk. En wat er precies tussen is gekomen, dat weet je niet eens zo een-twee-drie. Maar het is niet meer zoals vroeger en misschien heet dat wel volwassenheid. Toch is de psalmist niet zonder hoop dat het nog eens anders wordt. ‘Eens’, zo zingt hij, ‘eens zal ik hem danken, de redder van mijn aanschijn, die mijn God is’. Inderdaad kan een mens daarnaar smachten.
Als een hijgend hert, der jacht ontkomen.

Evert Jan de Wijer