Overweging

De psalmist houdt zich vast aan de hoop die ook weerklinkt in het lied dat onlangs weer over de Amsterdamse grachten schalde. Oma woont er niet meer. Er zit een vreemde meneer in het kamertje voor. En ook die heerlijke zolder werd een kantoor. De stad heeft niet meer die menselijke maat die het ooit had. Maar de bomen - dromen, hoog boven het verkeer. En over het water gaat een bootje net als weleer.

Ook de psalmist houdt vast aan oude, kosmische bewegingen. Tot in de hemel reikt de vriendschap des heren en tot aan de wolken zijn trouw. Zijn gerechtigheid is als goddelijke bergen en zijn rechtspraak als een oervloed. En in dat licht, in zijn licht, zien wij licht. Grijpen wij hoop. Wij krijgen de tijd. Wij hebben alle tijd.

Ineens, zo eindigt de psalm, liggen de bedrijvers van onrecht op de grond. Zijn zij gevallen. Niet meer machtig tot opstaan. Daar waren wij zelf niet bij. Dat moment hebben wij kennelijk gemist. En we hebben het ook niet zelf bewerkstelligd of bereikt met ons goede gedrag of onze hoge moraal. Maar we hadden wel geduld. Een wat langere adem. Ons gericht op de bomen die dromen, hoog boven het verkeer en de waan van de dag. Dan lach je toch het laatst. En naar ik heb begrepen, is dat de beste lach.

Evert Jan de Wijer