Overweging

We ontkomen niet aan de vaststelling van een vleugje paranoia van de kant van de patiƫnt. Zo ervaren wij doorgaans niet de bloemengroet van de gemeente of het welgemeende kaartje. Veel erger is de oorverdovende stilte. De negatie van het ziekbed. Maar hij heeft geen grip op zijn bestaan. Hij leeft zijn leven in flarden en fragmenten. Hij heeft zijn leven niet op orde en daar hoeft een mens niet noodzakelijk ziek voor te zijn.

Wat hij heeft, is een vaag verlangen. Een onbestemde hoop. Dat de Heer zijn lijdenssponde steunt. Alles aan zijn bed zal veranderen. Die laatste zin, in een wat kreupel Hebreeuws, intrigeert. Zou het zo kunnen zijn dat een mens niet hoeft te hopen op wonderbaarlijke genezingen? Maar dat een ziekbed werkelijk anders ligt, als je daar ligt in hoop en vertrouwen?

Evert Jan de Wijer