Overweging

En je biecht het niet op aan een overheid. Die uiteindelijk niet anders zal willen dan je controleren en in de gaten houden. Maar de psalmist wil dit kwijt aan de Ene. Aan zijn Heer.

Toegegeven, voor veel mensen was God ooit een soort overheid. Een God voor wie niets verborgen bleef. Alziend, alwetend, almachtig en wat al niet meer. Een angstbeeld op zichzelf.

Maar zo heeft de psalmist zijn God nooit gekend. Hij weet van een Heer die hem zijn vriendschap aanbiedt. Keer op keer. Die hem zijn last wil verlichten. Een God die hem raad wil geven. Zorgvuldig met zijn oog speurt of het jou wel goed gaat.

Eerder onmachtig dan almachtig fluistert deze Heer hem toe dat hij niet zo stijfkoppig moet zijn. Als een paard, een muilezel zonder verstand. Verhard en opgesloten in een veel te hoog opgetrokken autonomie. Een mens moet niet alles zelf willen opknappen en oplossen, anders komt het je te na. Dat is geen dreigement maar eigenlijk een nuchtere vaststelling van de feiten. Van wat er gebeurt, als je verstrikt raakt in schuld en schaamte. Eigenlijk de enige reden waarom wij de ander onze hand zouden durven te reiken, is ons tastend geloof in die God die daarmee begon. De Heer die ons de hand reikt.

Evert Jan de Wijer